2.1. Spelen zonder troef (sans atout, SA)

Een contract zonder troef is een sans atout contract, kortweg SA. Zodra de dummy opengaat maak je een plan, een speelplan, waarin je bedenkt hoe je zoveel mogelijk slagen kan maken. De manier waarop en de volgorde waarin je de kleuren speelt, is vaak bepalend voor het aantal slagen dat je haalt. Ieder spel vraagt om een eigen aanpak. Vind jij de juiste aanpak? is de vraag waar het spelen van een contract om draait.

Het maken van een speelplan verloopt gestructureerd in vier stappen:

Situatieanalyse: realiseer je dat je zonder troef speelt en wat het minimumaantal slagen is dat je moet maken. Bij het echte bridge bepaal je tijdens het bieden het minimumaantal te behalen slagen. Bij StartersBridge moet je altijd minimaal zeven slagen halen en noem je in deze fase hardop het aantal slagen dat je denkt te maken. Een ervaren bridger laat in gedachte het biedverloop de revue passeren en denkt in dit stadium na over de betekenis van de uitkomst. Voor beginnende bridgers gaat dit te ver.

Tel het aantal vaste slagen: een vaste slag is een slag die je zeker maakt, zonder van slag af te gaan. Een Aas is een vaste slag. Aas-Heer in dezelfde kleur, zijn twee vaste slagen. Heer-Vrouw is geen vaste slag omdat je tussentijds van slag af moet om er een slag uit te ontwikkelen. Bij het tellen van de vaste slagen, kijk je naar het gezamenlijk bezit van wat jij en je partner (de dummy) in een kleur heeft.

Ontwerp een plan om extra slagen te ontwikkelen. Er zijn drie soorten ontwikkelslagen:

  1. Lengteslag: een ‘kleine’ kaart die vrij wordt als de hogere kaarten gespeeld zijn.
  2. Promotieslag: je hebt hoge kaarten in een kleur, maar de hoogste(n) ontbreken.
  3. Kanskaart: je hebt kans (meestal 50%) om de kaart te maken (over kanskaarten hieronder meer).

Plan het spel: bepaal de volgorde waarin je de verschillende kleuren speelt. In een contract zonder troef is het belangrijk om met je vaste slagen controle te houden over alle kleuren. Je begint daarom met het ontwikkelen van slagen. Tijdens het ontwikkelen moet je vaak van slag af en zolang jij hoge kaarten in de overige kleuren hebt, kan de tegenpartij geen (of slechts een beperkt aantal) slagen in deze kleuren oprapen.

De kleur die je kiest om slagen in te ontwikkelen is de werkkleur. Zodra je aan slag bent, speel je de werkkleur.

Kanskaarten

Twee plaatjes in een kleur met “een gat” ertussen, zoals ♠A V of H B, heet een vork. Je hebt in het algemeen 50% kans om een slag met het lagere plaatje te maken, met ♠V respectievelijk B. Het naar een vork toespelen en de slag met het lagere plaatje maken heet snijden. Bekijk de volgende situaties:

Voorbeeld A: ♠A is een vaste slag; ♠V een kanskaart: speel in de eerste schoppenslag een kleine schoppen uit Zuid naar ♠V in Noord, heb je 50% kans om ♠V te maken, namelijk als West ♠H heeft. Als je in de eerste slag ♠A legt, weet je (vrijwel) zeker dat Oost ♠H niet legt en dat ♠V niet vrij wordt.

Voorbeeld B en C: A H zijn vaste slagen en je hebt 50% kans om B te maken, namelijk als West V heeft. Speel een kleine harten uit Zuid en leg B als West een kleine harten legt.

Voorbeeld D: A is een vaste slag. Van V B 10 kan één slag promoveren. Je hebt kans op drie ruitenslagen door met een ruiten uit Zuid te beginnen. Legt West een kleintje, dan leg je in Noord ook een kleintje. 50% kans dat West H heeft en V een slag is.

Voorbeeld E en F: in beide voorbeelden heb je één vaste slag, ♣A en mis je twee plaatjes (♣H V dan wel ♣H B). De kans dat deze twee plaatjes verdeeld zitten (één bij West en één bij Oost) is twee keer zo groot dan dat één speler beide plaatjes heeft. Speel twee keer een kleine klaveren uit Zuid en leg ♣10 in Noord (mits West een kleine klaveren legt).

Voorbeeld G: geen vaste slag. Als West ♠A heeft (50% kans), maak je ♠H. Speel naar de plaatjes toe en begin met een kleine schoppen uit Zuid. Als West ♠A legt, leg je klein en is ♠H hoog. Als West ♠A niet legt, leg je ♠H en neem je de 50% kans mee dat West ♠A wel heeft. In dat geval wordt ♠H een slag; leg je ♠H niet, dan maak je nooit een schoppenslag; wat heb je te verliezen?

Voorbeeld H: een variant op het vorige voorbeeld: je hebt nu één vaste slag, A. Door naar V toe te spelen, heb je 50% kans om V te maken, namelijk als West H heeft. Speel je de harten anders, dan heb je (vrijwel) geen kans op een tweede hartenslag.


Door je te registreren of door hieronder in te loggen krijg je toegang tot door mij ontwikkeld oefenmateriaal dat beschikbaar is op VuBridge.